Varroamijt

Hoewel de varroamijt een natuurlijke parasiet is van de Aziatische honingbij is zijn biologie bestudeerd op de Westerse honingbij omdat de mijt voor deze bij een economische bedreiging is. Dit betekent dat onderstaande betrekking heeft op het voorkomen van de mijt op de Westerse honingbij en niet zozeer op de Aziatische honingbij.
Volwassen vrouwelijke mijten kun je vinden op volwassen en jonge honingbijen. Zij vermenigvuldigen zich in het bijenbroed op zich ontwikkelende larven en poppen. Jonge varroamijten vind je alleen in gesloten broed en mannelijke varroamijten verlaten nooit de broedcellen.

Hoewel zij klein is, is een vrouwelijke mijt één van de grootste op de bij levende parasieten. Omdat de schade aan de bijen wordt veroorzaakt door de vrouwelijke mijten hebben we het hieronder hoofdzakelijk over de vrouwelijke mijt.

Volwassen vrouwelijke mijten kennen twee fasen in hun leven, de foretische en de reproductieve fase. In de foretische fase zitten zij op de bijen en verplaatsen zich door het volk door zich door de bijen te laten verplaatsen en over te stappen op passerende bijen. Zij voeden zich met bijenbloed (hemolymfe). De mijten bevinden zich op het abdomen en prikken door het zachte deel tussen de segmenten om hemolymfe te zuigen. (Foretisch is een moeilijk woord om te zeggen dat de mijten de bij als taxi gebruiken om zich te verplaatsen)

Anatomisch zijn de vrouwelijke mijten perfecte parasieten. Door hun platte vorm passen zij goed tussen de segmenten van het abdomen . Ze hebben klauwen en stevige beharing aan de buikzijde waardoor zij stevig verankerd zitten op de bij. Het rugpantser is van dezelfde chemische samenstelling als
dat van de bij. Bovendien is het rugpantser zeer hard en beschermt de mijt tegen agressieve bijen.

Foretische varroamijten kunnen gemakkelijk andere volken binnendringen als de bijen waar zij opzitten zich vervliegen. Dit gebeurt vaak als volken slechts op enkele meters van elkaar staan opgesteld. Er is vastgesteld dat dat bijen van erg besmette bijen zich vaker vervliegen (Schmid-Hempel 1998) Varroamijten verspreiden zich binnen een volk van bij tot bij en tussen volken door middel van vervliegen.

Varroamijten kunnen ook op andere manieren in andere volken terecht komen:

  1. Imkers helpen zwakke volken door het toevoegen van bijen uit sterkere volken;
  2. Imkers verspreiden de mijt regionaal door te reizen;
  3. Volken zwermen en vinden een nieuwe locatie waar zij de mijt verspreiden;
  4. Roverij tijdens drachtpauzes;

Dit alles heeft aan de wereldwijde verspreiding van de varroamijt bijgedragen.

De foretische fase van de mijt lijkt de reproductieve fase te versterken. Als mijten direct nadat zij volwassen zijn kunstmatig naar broedcellen worden gebracht kunnen zij zich wel reproduceren maar de reproductie is kleiner dan die van mijten die een foretische fase meemaakten. De foretische fase kan viereneenhalf tot elf dagen duren als er broed in het volk aanwezig is of vijf tot zes maanden tijdens de winter als er geen broed in het volk aanwezig is. Vrouwelijke mijten hebben een gemiddelde levensverwachting van zevenentwintig dagen als er broed aanwezig is en vele maanden als er geen broed is.

Om zich te vermenigvuldigen of te reproduceren moeten foretische mijten broedcellen binnen gaan. Honingbijen maken van was een matrix met zeskantige compartimenten of broedcellen. Koninginnen leggen eitjes in die cellen waaruit na drie dagen larven komen die zich beginnen te ontwikkelen. Als de larven een bepaalde leeftijd bereiken sluiten de werksters de cel met een wasdeksel. Daarna veranderen de larven in een voorpop en daarna in een pop. Eénentwintig, vierentwintig, of zestien dagen nadat het eitje is gelegd lopen respectievelijk de werkster, de dar of de koningin uit.

De vrouwelijke varroamijten moeten de cel betreden voordat de bijen de cel verzegelen. Bij de Westerse honingbij kunnen zij of een werkstercel of een darrencel binnengaan. Daarbij heeft een darrencel de voorkeur. Een mijt die gereed is om zich te vermenigvuldigen verlaat de bij waarop zij meelift en stapt in de cel. Zij kruipt langs de wand naar beneden naar de larve op de bodem van de cel. Alleen cellen die op het punt staan te worden verzegeld zijn voor de mijt aantrekkelijk. Zij kruipt onder de larve en graaft zich in in de voeding van de larve waar zij blijft tot de cel is verzegeld. Als zij in het voer voor de larve zit gebruikt zij haar peretrimes, een soort snorkels, om te kunnen ademen. Als de cel is verzegeld door de werksters spint de larve zich in als een voorpop. Hierbij consumeert de larve het resterende voedsel in de cel en bevrijdt de mijt. Dit duurt tot zes uur na verzegeling van de cel. De mijt klimt nu op de larve en begint zich te voeden met hemolymfe van de larve. Ze ontlast zich op de wand van de cel terwijl ze zich voedt. Zeventig uur na verzegeling van de cel legt zij een onbevrucht eitje op de wand van de cel. Net zoals bij de honingbij ontstaat er uit een onbevrucht eitje een mannelijke mijt. Hierna legt zij elke dertig uur een bevrucht eitje waaruit een vrouwelijke mijt ontstaat. Als de mijt niet goed bevrucht is geweest kan zij geen bevruchte eitjes leggen en ontstaan er alleen mannetjes. Op een werksterpop worden vijf en op een darrenpop zes eitjes gelegd.

Omdat werksters ongeveer elf dagen na verzegeling van de cel uitlopen en darren na veertien dagen zullen de meeste eitjes van de mijt zich niet ontwikkelen omdat een dochtermijt 6 dagen nodig heeft om zich te ontwikkelen. Het eerste dochtereitje wordt pas 76 uur plus 30 uur na verzegeling gelegd. Dat zijn 4 dagen plus 10 uur na verzegeling. Tel daarbij de ontwikkeling van het mijtenei naar volwassen mijt van 6 dagen dan is het totaal 10 dagen plus 10 uur. Er loopt uit een werkstercel dus maar 1 nieuwe vrouwelijke mijt uit. In een darrencel ontwikkelen zich 2 tot 3 mijten volledig. Het hele proces van ei tot volwassen mijt duurt voor beide sexen 7 dagen.
Elke moedermijt kan in haar leven 3 tot 4 maal in een cel stappen om te reproduceren.

De meeste eitjes hebben dus geen tijd zich te ontwikkelen naar volwassen exemplaar. Na het openen van de cel, omdat de werkster uitloopt of doordat de bijen de cel openmaken om broed te trekken, verdrogen de mannetjes en de niet volwassen vrouwtjes. Daarom zien de meeste imkers alleen de bruine vrouwelijke mijten en niet de witte onvolwassen vrouwtjes en mannetjes. (Die echter wel parasiteerden op de larve.) De mannetjes zullen, nog in de cel, herhaaldelijk paren met de volwassen vrouwtjes wat dan resulteert in het vullen van de spermatheek met ongeveer 35 spermatoïden. Hierna degenereert het sperma transportsysteem van de vrouwelijke mijt en zijn paringen in de toekomst niet meer mogelijk.

Ten gevolge van inteelt (mannetje paart met zuster(s)) is slechts 30% van de uitlopende vrouwelijke mijten vruchtbaar.

Als we de sterfte en onvoldoende geslaagde paringen in aanmerking nemen produceert elke vrouwelijke mijt die in een werkstercel stapt één nakomeling en twee tot drie nakomelingen in een darrencel. Hierdoor neemt de populatie mijten, bij een normale gemiddelde temperatuur, in een volk dat het halve jaar broed heeft toe met een factor 200. In volken die het hele jaar broed hebben is loopt dit op tot een factor 800. Dit maakt het moeilijk de mijt te controleren, zeker in streken met een warmer klimaat waar de volken het hele jaar broed hebben.

Advertenties