Darrenteelt

Hieronder een stukje uit een pdf-file van de NBV: “Darren, interessanter dan men denkt”
Wilt u de hele file lezen dan kunt u deze hier downloaden.

Om darren te telen moet een darrenraat midden in het broednest worden gehangen op het
moment dat het eerste darrenbroed wordt aangezet. De ontwikkeltijd van een dar is 24 dagen plus 16-18 dagen (± 40 dagen) nodig voor het rijpen. De koningin doet er 16 dagen plus 6 dagen ((± 22 dagen) over voordat zij bronstig is. Dus met de darrenteelt moet je 3 weken eerder beginnen dan met de koninginneteelt. Om zo vroeg mogelijk in het voorjaar met de darrenteelt te kunnen beginnen in een volk moet daar in het voorafgaande jaar rekening mee worden gehouden.

Deze en meer artikelen zijn te lezen in het boek “Koninginnenteelt van A tot Z” en in het boek “Imkerweetjes”. De boeken zijn hier te verkrijgen.

In de nazomer moeten deze volken naar goede stuifmeel drachten gebracht worden, zoals rode klaver, lucerne, phacelia, heide, zonnebloemen, gele mosterd. De koningin moet blijven leggen, er mag geen schaarste zijn. Tot een goede wintervoorraad in de bijenvolken behoort stuifmeel in de raten en goede vet/eiwitreserve in het lichaam van de winterbijen.

De darrenteelt in het vroege voorjaar leidt tot een inspannende situatie in het volk. Het
voornaamste werk (broed verzorgen en broednest temperatuur in stand houden) moet door de winterbijen geleverd worden, de aanwas van jonge bijen is nog gering. Alleen sterke, op 2 bakken overwinterde volken hebben voldoende bijen, zodat door de oude bijen nog darrenbroed verzorgd kan worden. Dat kan al tijdens de eerste wilgen bloei plaats vinden.

Voor een tijdige darrenteelt wordt een lege, één keer bebroede darrenraat van het
vorige jaar, direct tegen het broednest gehangen. Daarnaast komt een goed stuifmeel raam.
Als men geen stuifmeelraam heeft, wordt door Weiss aanbevolen, het bovenste deel van de
darrenraat met stuifmeel vervangmiddel te vullen. Aansluitend wordt deze met honingwater, tot op de celbodem gevuld. In noodgeval werkt een voederdeeg met stuifmeel vervangmiddel ook goed. (Poedersuiker, stuifmeelvervanging en honing 1:1:1). Het deeg moet links en rechts van de darrenraat tussen de ramen gedrukt worden. Beter is vanzelf sprekend natuurlijk stuifmeel. De teler kan stukken raat met stuifmeel uitsnijden, in glazen in elkaar stampen en met honing overgieten. Indien nodig wordt de massa in warm suikerwater vloeibaar gemaakt en als drijfvoer gegeven.
Bij late teelten (tweede helft juli/augustus) is het beschikbaar hebben van darren even moeilijk als in het voorjaar. Het hoogtepunt in de ontwikkeling is voorbij, en met het afnemen van de dracht begint de darrenslacht. “In augustus is het gemakkelijker, 100 koninginnen te telen, dan 1 dar.” (Sklenar) Daarom moeten die omstandigheden geschapen worden, die met de situatie voor het zwermen overeen komen: Het volk kleiner zetten of rijkelijk bijen uit andere volken erbij geven, drijfvoeren en zeer goede stuifmeelverzorging. De verdere opkweek en het bewaren moet in een moerloos volk plaats vinden, want door moerloosheid, moerdoppen of een onbevruchte koningin wordt de darren opkweek versterkt.
De darrenraat met broed moet steeds tussen open werkster broed hangen. Daardoor is steeds, ook in ongunstige klimatologische omstandigheden, de verzorging van het darrenbroed door voedsterbijen zeker. Deze eis geldt steeds, het maakt daarbij niet uit hoe de verdere verzorging van de uitgelopen darren wordt gedaan. De tijdsduur om de darren te laten rijpen stelt, zoals reeds eerder opgemerkt, hoge eisen aan de voedselverzorging.

Er zijn verschillende mogelijkheden om de darren verder te verzorgen.
In de honingkamer.
Het is aan te raden, de raat na het uitkomen van de darrenlarven, in de honingkamer van het darrenvolk of een pleegvolk te hangen, van de broedruimte gescheiden door een
koninginnerooster.
De verdere verzorging in het pleegvolk zal men dan kiezen, als van het darrenvolk nog een
grote hoeveelheid darren geproduceerd moet worden. Om de twee à drie dagen worden de
belegde raten uitgenomen en een nieuwe darrenraat in gehangen.
De honingkamer van het pleegvolk moet darrenvrij zijn. (Zekerheid voor de juiste
afstamming) Er mogen zich daarin ook geen raten met ouder darrenbroed bevinden, want de verschillend leeftijdsgroepen worden verschillend verzorgd. Als ongunstige omstandigheden ontstaan, b.v. voedselschaarste of te grote darrenconcentratie, worden de verzorging van de oudere darren verwaarloosd ten gunste van de jongeren. Daarom moet het pleegvolk ook niet de gelegenheid gegeven worden darrenbroed in de broedruimte op te kweken. De verdere verzorging van het darrenbroed gaat gemakkelijker als de larven reeds uitgelopen zijn.
Het uitlopen van de darren in de honingkamer geeft de zekerheid dat ze niet uitvliegen.
Darren zijn niet trouw aan de eigen kast. Ze vliegen al de eerste keren uit, voor ze
geslachtsrijp zijn (vanaf dag 7) en keren niet allemaal terug. Of ze gaan bij andere volken naar binnen of ze komen onderweg om. Het koninginnerooster behoedt voor het verlies van gewenste darren en het aanvliegen van niet gewenste. Om de verzorging en het voeren van de uitgelopen darren zeker te stellen moet voor open broed in de honingkamer gezorgd worden.
Bij slechte dracht moeten we, ondanks aanwezige stuifmeel- en honingvoorraad, drijfvoeren.

In een aflegger
De verdere verzorging van de darren kan ook in een aflegger plaatsvinden. Kort voor het
uitlopen van de darren hangt men de raat in een sterke aflegger. Deze moet volgens Ruttner bestaan uit minstens vier à vijf broedramen met erop zittende bijen en extra daarbij nog de bijen van drie ramen afgeschud. De bijen moeten gezeefd worden. In de voorzomer kan de aflegger moergoed zijn, tegen het einde van het seizoen is het beter de moer weg te nemen.
Het afvliegen van de darren moet door een moerrooster verhinderd worden. Slechte ervaring hebben wij er mee als deze voor het vlieggat is aangebracht. Als de darren geslachtsrijp zijn en het weer ideaal om uit te vliegen, verdringen ze zich voor het koninginnerooster en het gevaar van warmlopen is groot. Een groot deel van de darren sterft door het gedrang aan het vlieggat.
Een andere oplossing is om de oppervlakte koninginnerooster te vergoten, b.v. onder de
onderste broedbak op de randen van de bodem. Hierdoor wordt gedrang aan het vlieggat
voorkomen, terwijl de vliegbijen nauwelijks hinder ondervinden om de kast binnen te komen.
Een bescherming tegen de zon, die tevens het binnenste van de kast donker houdt, levert
aanvullend goede diensten. Bij extreme hitte kan het koelen van de kast d.m.v . vochtige
afdekking de darren ook rustig houden.
Moerloze afleggers moeten in de nazomer steeds weer door raten met jong werkster broed
worden versterkt. Deze werkzaamheden moeten in de vroege morgen worden gedaan, om
afvliegen van de darren bij het openen van de kast te voorkomen. Vele telers brengen aan de kasten voorzetstukken met darrenrooster aan. De darren hebben daarin de mogelijkheid tot begrensde vliegactiviteit. Door het rooster een beetje opzij te schuiven en voor de opening een doorzichtige kooi te houden, kan men gedurende de activiteits fase de darren gemakkelijk afvangen. Het afvangen van de darren uit de honingkamer of uit een afleggerkast gaat het gemakkelijkst binnen. (“im Bienenhaus”) Bij het openen van de kast vliegen de darren naar het raam (naar het licht) en kunnen daar gemakkelijk verzameld worden. Denkbaar is ook dat men alleen een plankje opzij schuift en de darren in een doorzichtige kooi laat lopen. Deze manier van afvangen is echter alleen tijdens de vliegactiviteit van de darren mogelijk, dus bij vliegweer. Bij koele weersgesteldheid blijven ze op de raten zitten. Daar echter niet vanwege het weer, maar op het vastgesteld KI-moment de darren nodig zijn, moet men in dit geval van de raten af verzamelen. Het vliegen van de darren is voor het winnen van sperma beter. De darren ontlasten zich daarbij voor het grootste deel, en door de vliegactiviteit verbetert het uitstulpen.

In een arrestraam
Nog een andere methode van Otto Ewald. Deze is in vele opzichten voordelig
en aan te bevelen. Twee spekraat ramen worden tot één arrestraam samengevoegd, aan beide kanten van (draad) koninginnerooster voorzien. Aan de voor/achterkant komt een afsluitbare opening voor het afvliegen van de darren.
In deze arrestbak komt op een gegeven ogenblik slechts een deel van een gesloten darrenraat, terwijl er veel meer ruimte is.
De ervaring heeft geleerd, dat het te vol doen van de arrestbak met uitgelopen darren, grote verliezen aan darren oplevert.
De darrenbak plaatst Otto Ewald tegen het broednest,zodat steeds voldoende voedsterbijen aanwezig zijn, die de uitgelopen darren voeren. Om de bijen aan de arrestbak te laten wennen wordt er in het begin wat voederdeeg in gedaan. De voordelen van deze manier van darren houden zijn:
Op het tijdstip van de KI is het gemakkelijk de darren, zonder verlies door wegvliegen, af te nemen en naar een andere plek te brengen. In het voorportaal van de KI ruimte kunnen ze naar het raam vliegen.

In een stapelkast (im Magazin)
De vierde bekende manier van darren verzorging is die in een stapelkast. In de tweede
broedkamer, naar onder en naar boven naar de honingkamer door koninginnerooster
gescheiden, treffen we voor de darren goede verzorgingsmogelijkheid aan. Men kan de hele bak naar een afgesloten ruimte brengen en daar de darren afvangen.

Bevruchtings- en koninginneteeltstations
Dit onderwerp heeft alles met darren te maken omdat de problemen bij het opzetten van
bevruchtingsstations voornamelijk te maken hebben met het beheersen van de darren die aan de paring mogen deelnemen. We spreken van koninginneteeltstations indien er sprake is van een gesloten systeem van volken die zowel koninginnen als darren leveren.
We spreken dan van koninginnenteelt binnen gesloten populaties.
Wanneer naar bevruchtingsstations, bevruchtingskastjes met onbevruchte koninginnen worden gezonden waarin geen darren mogen voorkomen, heeft men geen gesloten populatie en spreekt men over een bevruchtingsstation.

Problemen die koninginneteeltstations oproepen hangen samen met het voorkomen van inteelt bij gesloten populaties, en de problemen van bevruchtingsstations is de betrouwbaarheid van het stations, de teelt- en selectie van de darren volken.

Een darrenvolk wordt geselecteerd uit volken met jonge zusterkoninginnen, waarvan de
moeder goed is bevallen en waarvan in het jaar daarvoor is nageteeld. (Fehrenbach )
Een volk wat als darrenvolk dienst doet, brengt darren voort die alle gewenste eigenschappen van haar stam zuiver vererven. (Kobel 1968 blz 86)
Koninginnen in darrenvolken kunnen het beste zusters van elkaar zijn, van een
moederkoningin met de gewenste eigenschappen.
Wanneer de koningin 2 tot 3 jaar oud is dan kan deze in het eerste jaar respectievelijk het
tweede jaar getest zijn, voordat deze volken ingezet worden als darrenvolk.

Hoe de betrouwbaarheid van een teeltstation te testen ?

1) Door bevruchtingsvolkjes te plaatsen op een station zonder darrenvolken. Alle
koninginnen moet dan onbevrucht blijven.
2) Door de vaderlijnen bij de werksters in een volk genetisch te vergelijken met de darren
uit de darrenvolken. (Estoup 1994)

Kunstmatige inseminatie
Op het eerste gezicht hoort dit onderwerp veel meer tot de wereld van de koningin die hier
een behandeling ondergaat, maar de mislukkingen in de periode waarin deze techniek tot
ontwikkeling kwam hadden voornamelijk te maken met het onbegrip van het aandeel van de dar in de voortplantingsbiologie. Vandaar dat we hier de ontwikkelingsgeschiedenis in de van de techniek laten volgen en het verhaal van de eigenlijke techniek bij de koningin aan de orde laten komen. Ook moet daar aandacht worden geschonken aan het waarom van deze techniek en wanneer het zinvol is om KI uit te voeren, want er zijn genoeg imkers die KI-cursussen hebben gevolgd maar daar niets meer aan doen, niet alleen omdat ze de slag niet te pakken hebben gekregen.

Vanaf de tijd dat Huber geprobeerd had om koninginnen kunstmatig te bevruchten met een penseeltje in 1791 zijn er pogingen ondernomen om gecontrolleerde paringen tot stand te brengen. Alle methoden die in de 19de eeuw zijn toegepast zijn, vallen onder twee principes te omschrijven.
1.) Opsluiten van een koningin met geselecteerde darren in afgesloten ruimten
of de koningin onder controle te houden door haar aan een lijntje te binden in een omgeving waar een overmaat aan gewenste darren aanwezig is.
2.) Door directe inseminatie

In 1857 probeerde Lewis Shrimplin uit Wellsboro een koningin aan een zijden draadje
verbonden aan een van haar poten te laten paren, in een omgeving waarvan hij zeker was dat er alleen darren van zijn keuze vlogen. In 1882 werden deze experimenten door Shuck
herhaald en in 1924 door Watson. Het lukte niet om koninginnen hierdoor bevrucht te krijgen.
Men zag wel dat ze achtervolgd werd door darren. Nelson W. McLain insemineerde in 1885 koninginnen door een druppeltje sperma in de angelkamer van de koningin te laten vallen, waarbij de koningin in een blokje geplaatst was tijdens de injectie, en beweerde dat hij bij een aantal koninginnen succes had. De drijfveer achter al deze verwoedde pogingen in Amerika om paringen gecontroleerd te laten verlopen, kwam met de introductie van gele italiaanse koninginnen uit Europa. Imkers met italiaanse bijen wilde deze zuiver houden, terwijl hun buurman met zwarte bijen werkten. Om koninginnen te beletten ver weg te vliegen, knipte een bijenhouder uit Michigan in 1897 een deel van de vleugels af. Hierdoor paarden 11 op de 12 koninginnen met italiaanse darren, terwijl ongeknipte koninginnen 75% kans op een gewenste paring hadden. Deze handelswijze was gestoeld op het idee dat darren niet ver weg vlogen om te paren en dat eigen darren rondom de eigen bijenstal in de meerderheid zouden zijn.
Proeven met vliegtenten werden reeds genomen in 1901, maar deze mislukten
eveneens. In 1914 werden door Jager en Howard pogingen ondernomen om koninginnen te insemineren. Deze proeven werden in 1915, 1916 herhaald door Howard en French, maar hadden weinig succes. Men verklaarden de mislukkingen uit de moeilijkheid om langs de Svormige buiging en de spieren van de spermapomp van de spermatheca te komen. Bij pogingen om toch deze vernauwing te passeren werden de koninginnen dusdanig beschadigd dat zij vrij laat begonnen met het leggen van eieren.
In 1917 werden er door het bedrijf van A.I Root in 1917 uitgebreide proeven in grote glazen
kassen genomen. Ook dit experiment leidde niet tot bevruchte koninginnen.
Geo. D. Shafer probeerde in dezelfde tijd een koningin in de hand te laten paren met een dar.
Hoewel de copulatie lukte bleek bij controle de spermatheca geen sperma te bevatten.
Geo. H. Bishop probeerde de uitstulping van penis in de bursa copulatrix van de koningin te laten plaatsvinden, en op een tweede manier door met een pipette sperma uit de dar over te brengen in de koningin. Hoewel deze pogingen geen resultaat hadden bleken de verslagen over deze experimenten (1920) zoveel feitenkennis te bevatten over de functionele aspecten van de bevruchting bij de koningin, dat zijn opvolgers bij hun pogingen op ideeën werden gebracht.

Een geheel andere manier om een gecontroleerde paring tot stand te brengen is door een
darren eitje met een penseel te bevruchten. (Gilbert Baratt uit Engeland 1919).
Het idee was dat de micropyle, de opening waardoor het sperma bij de bevruchting passeert, bij een pasgelegd onbevrucht eitje een paar uur geopend blijft. Hoewel Barratt en een navolger Charles Quinn in 1924 claimde succes hiermee te hebben, lukte het Watson niet.
Het is waarschijnlijk dat zodra het eitje met de buitenlucht in aanraking komt, het vochtige filmachtige laagje uitdroogt en daarmee de opening direct afsluit. Misschien lukt het wel met in vitro-vertilisatie, waarvan ik niet weet of dit wel eens geprobeerd is.
De moderne techniek van de KI begon met het werk van Watson (1927) Deze introduceerde een microspuitje, die aan een micromanipulator bevestigd was. De koningin werd met zijden draadjes aan een houten blokje gebonden. De angelkamer werd met een pincet geopend. Met deze techniek lukte het om koninginnen te bevruchten. Nolan ontwikkelde een nieuw KIapparaat en insemineerde de koningin met sperma van meerdere darren in een aantal opeenvolgende inseminaties, waardoor niet alleen meer sperma in de spermatheca terecht kwam, maar ook van meerdere darren. In 1944 ontdekte Laidlaw de rol van het vaginale klepje. Het sperma moet achter dit klepje worden ingebracht waar de gezamelijke eileider begint. Mackensen en Roberts (1948) hebben het apparaat van Nolan verder ontwikkeld.
Hierbij werd de angelkamer open gehouden met twee haakjes verbonden aan een statief. Het klepje werd met een sonde weggedrukt en met een spuitje kon het sperma in de
gecombineerde eileider ingebracht worden. Laidlaw maakte de haakjes nauwkeurige
beweegbaar middels microschroeven. Ook gebruikte men sinds 1930 CO2 om de koningin te gedwelmen en Mackensen stelde vast dat na tweemaal een behandeling met CO2 de koningin startte met het leggen van eieren. Vanaf 1943 realiseerde men opeenvolgde kleinere verbetering aan de verschillende onderdelen van het KI-apparaat dat in essentie hetzelfde bleef.

Heb je nog vragen? Of is iets onduidelijk? Laat het even weten in de reacties hieronder!

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s