Beginselen van de genetica

Dit artikel is gedeeltelijk een vertaling uit het American Bee Journal en geeft uitleg over de erfelijkheid bij honingbijen. Het lijkt een taai artikel maar is het niet. Het geeft een goed inzicht in welke factoren een rol spelen bij de teelt en wat men wel en niet kan beïnvloeden.

Veel imkers hebben uitstekende koninginnen geteeld uit een geïmporteerde koningin of van een geselecteerde koningin die zij kregen van een andere imker. Gewoonlijk paren deze koninginnen dan met de darren die op de eigen bijenstand aanwezig zijn. Als dan de sexallelen van de twee lijnen verschillend zijn, is het broed van de meeste combinaties aaneengesloten met weinig of geen open cellen.

De nieuwe koninginnen kunnen genetisch verschillen van de koninginnen die de imker al had. Na gepaard te hebben met de darren van de al aanwezige koninginnen produceren de dochters van de geïmporteerde koningin nu hybride nakomelingen. Dit kunnen hybriden van verschillende rassen of hybriden van verschillende lijnen zijn. Deze nieuwe bevruchte koninginnen produceren meestal uitstekende volken met broed van hoge kwaliteit. De imker prijst dan uiteraard de geïmporteerde koningin(nen) zonder te beseffen dat zijn eigen darren voor de helft bijdroegen in het succes van deze supervolken.

Na een paar generaties terugkruisen met de origineel aanwezige darren of met de darren van de hybride koninginnen is de situatie heel anders. Er treedt verval op, kleinere broednesten en meer hagelschot dan in de originele volken. Dan trekt de imker de conclusie dat die geïmporteerd koningin(nen) helemaal niet zo goed waren en hij betrekt elders nieuwe koninginnen om van na te telen.

Hierdoor krijgt hij weer supervolken maar na een paar generaties vervallen deze weer. Om de kwaliteit van zijn volken hoog te houden schaft de imker nu elke paar jaar vreemde koninginnen aan.

Bovenstaande kan worden verklaard door de vitale hybriden die ontstaan uit koninginnen met verschillende sexallelen. De eerste generatie volken was superieur omdat zij hybriden waren, dat wil zeggen dat deze volken werden gevormd door koninginnen waarvan de nakomelingen hybriden waren van de geïmporteerde en de al aanwezige lijn(en). Wiskundig kan worden aangetoond dat het verval van volken niet kan worden tegen gegaan door selectie en de imker nooit meer zijn volken op het peil krijgt van de eerste hybride generatie.

Hoe dat komt wordt hieronder verklaard.

ELKE imker weet dat een economische productief volk een grote hoeveelheid werksters heeft. Om zo’n groot volk te krijgen moet de koningin veel bevruchte eitjes leggen die allen uitlopen en verzorgd worden zodat ze zich tot volwassen werkster ontwikkelen.
Heel lang geleden ontdekte Dzierzon dat darren uit onbevruchte eitjes komen. Darren hebben een moeder maar geen vader. Dit staat bekend als parthenogenesis (ongeslachtelijke voortplanting). Dit is niet alleen bij bijen zo, veel andere dieren kennen deze voortplantingsmethode. De vrouwelijke bijen, de werksters en koninginnen ontwikkelen zich uit bevruchte eitjes. Zij hebben wel een vader en een moeder. Van elke ouder krijgen zij 16 chromosomen en hebben dus 16 paar chromosomen. De dar die alles alleen van zijn moeder krijgt heeft slechts 16 enkele chromosomen. Omdat de werksters en de koninginnen gepaarde chromosomen hebben worden zij diploïde individuen genoemd. Omdat darren niet-gepaarde chromosomen hebben worden zij haploïde individuen genoemd. De koningin legt een eitje met 16 chromosomen van haarzelf en bevrucht dit eitje met 16 chromosomen van de dar die in het sperma zijn opgeslagen. De daaruit ontstane werkster heeft dan 16 paar chromosomen waarop de genen zijn gelegen. Elke eigenschap van de werkster, zichtbaar of niet-zichtbaar, hangt nu af van het gedrag van bepaalde genen op één locus op één paar chromosomen.

Het hele artikel en nog veel meer artikelen zijn te lezen in het boek “Koninginnenteelt van A tot Z” en in het boek “Imkerweetjes”. De boeken zijn hier te verkrijgen.
Advertenties